Niet Nora, niet Anne: waarom jouw auditie-Monoloog uit de schaduw moet stappen
Photo: actress rehearsing monologue theatre stage spotlight, via images.stockcake.com
Je staat er weleens bij stil hoeveel keer een casting director dezelfde monoloog hoort op één auditiedag? Docenten bij ActeerStudio die ook als toehoorder op audities zitten, zeggen het steevast: op een middag horen ze vijf keer Hedda Gabler en vier keer een stukje uit We Want More. Niet omdat die teksten slecht zijn – integendeel – maar omdat je er als speler in verdrinkt. De tekst is te bekend, de lat ligt te hoog, en de herinnering aan de vorige kandidaat zit nog vers in het geheugen van de toehoorder.
Wil je opvallen, dan moet je monoloog iets doen wat geen enkele andere kandidaat die dag doet: het moet jóú laten zien, niet het stuk.
Wat een casting director eigenlijk zoekt
Even door de ogen van de andere kant van de tafel kijken. Een casting director wil in twee minuten weten:
- Kan deze speler verandering spelen? Een monoloog die van begin tot eind op hetzelfde emotionele toerental draait, zegt weinig. Zoek een tekst met een omslagpunt: iemand die iets inzet en ergens anders eindigt.
- Past dit type bij deze rol? Klinkt logisch, maar wordt vaak genegeerd. Ben je 23 en speel je een 65-jarige terugblikmonoloog, dan moet de toehoorder constant wegdenken. Speel je leeftijd, speel je speelvak.
- Is het te volgen zonder context? Een goede auditie-monoloog werkt op zichzelf. Als je eerst tien minuten moet uitleggen waar het stuk over gaat, is het niet het juiste materiaal.
- Kan ik deze persoon iets anders zien doen dan wat hij of laat laat zien? Paradoxaal genoeg wil een toehoorder vaak juist het tegenovergestelde van wat je laat zien ook kunnen geloven. Een alleen maar grappige monoloog maakt je 'de grappige'. Een grappige monoloog met een brok in de keel maakt je een speler.
De valkuil van de 'veilige' klassieker
Waarom kiezen zoveel spelers toch voor de bekende teksten? Omdat ze veilig voelen. Je hebt ze gezien, je weet hoe ze klinken, en je hebt er waarschijnlijk op school aan mogen werken. Maar dat is precies het probleem: je vergelijkt jezelf met elke opname die de toehoorder ooit heeft gezien. Speel je een bekende tekst, dan speel je tegen het geheugen van je publiek. Speel je een onbekende tekst, dan creëer je dat geheugen zelf.
Daar komt bij: bekende teksten lokken imitatie uit. Je denkt dat je het 'goed' doet als het klinkt zoals in die ene voorstelling. Dat is geen acteren meer, dat is kopiëren.
Zeven onderschatte Nederlandse stukken om uit te putten
Een waarschuwing vooraf: wat hier staat is nog steeds geen kant-en-klaar recept. Een monoloog kies je omdat het bij jou past, niet omdat het op een lijstje staat. Maar als je vastloopt in de Ibsen-Molière-driehoek, zijn dit stukken waar regelmatig mooie, minder versleten monologen in zitten:
- Judith Herzberg – Kras – korte scènes, veel alledaagse taal met een scherpe onderton. Prima voor spelers die subtiliteit goed kunnen verkopen.
- Maria van Daalen of tekst uit het werk van Gerhard Verstegen – taalrijk, ritmisch, voor wie goed kan dragen.
- Golshifteh Farahani-vertalingen leiden je nergens heen, maar Het beeld van Ada van René van 't Hof – eenzaamheid, komiek én rauw in één tekst.
- Ad de Bont – jeugdtheaterstukken – volwassen spelers onderschatten dit, maar de teksten zitten vol directe, fysieke monologen.
- Tom Lanoye (Nederlands gesproken vertalingen van klassiekers) – een tussenweg: herkenbaar verhaal, frisse taal.
- Mieke van der Weij / hedendaags Nederlands repertoire bij gezelschappen als Het Nationale Theater – vraag bij de zaal of bibliotheek naar recente programmatuur; daar zitten monologen die nog nauwelijks zijn 'ingetoetst'.
- Eigen bewerking van een kort prozafragment – risicovol, maar als je het mag inbrengen: een heldere, ritmische prozatekst van bijvoorbeeld Nanne Tepper of Niña Weijers, door jezelf gesneden tot monoloog, laat zien dat je materiaal kunt maken. Niet elke auditie staat dit toe – check het vooraf.
Hoe je test of jouw monoloog werkt
Voor je een tekst definitief maakt, loop je drie checks:
De check van tien seconden. Speel je monoloog voor iemand die het stuk niet kent. Na tien seconden moet die persoon kunnen zeggen wie er spreekt, tegen wie, en wat er op het spel staat. Lukt dat niet, dan is de insteek niet helder genoeg.
De omgekeerde check. Speel de monoloog een keer bewust anders: rustiger, harder, kouder. Blijft de tekst werken? Dan is hij stevig genoeg. Valt hij meteen uit elkaar als je hem anders doet, dan droeg vooral jouw vertaling het – en wil je juist dat de tekst jou draagt.
De vermoeidheidscheck. Auditiedagen zijn lang. Speel je monoloog als allerlaatste van een zware dag, zonder opwarming. Als hij nog steeds landt, is het materiaal bestand tegen de realiteit van de auditioneerzaal.
En dan: maak het van jou
Een goede monoloog is nooit klaar bij het kiezen. Docenten bij ActeerStudio zien vaak het omgekeerde probleem: spelers die wekenlang zoeken naar 'de perfecte tekst' en dan te weinig tijd overhouden om hem echt te spelen. Vuistregel die daar werkt: maximaal twee weken zoeken, daarna keihard werken. Een middelmatige tekst die je volledig beheerst, verslaat een briljante tekst die je half kent.
Speel hem ook voor mensen buiten je eigen opleiding. Je medestudenten kennen je trucs; je tante niet. En vraag niet 'vond je het leuk', maar 'wat vond je dat ik wilde?'. Als het antwoord in de buurt komt van wat je wilde vertellen, zit je goed.
Uiteindelijk gaat het om hetzelfde als in elke auditie: laat de toehoorder vergeten dat je een monoloog aan het spelen was. Kies een tekst die je dat mogelijk maakt – en laat Nora lekker voor wat ze is.